d’s en t’s

Steeds meer taalgebruikers lijken zich niet te bekommeren om de regels voor de werkwoordsspelling. Natuurlijk belemmert dat soort fouten de communicatie nauwelijks (en iedereen maakt inderhaast wel eens een vergissing), maar zeker het structureel aan de laars lappen van de regels daarvoor, draagt duidelijk bij aan het beeld dat je je vormt van de schrijver. Uit diverse onderzoekjes is er ook wel een relatie gebleken tussen dit soort fouten en slordig taalgebruik anderszins.

Een correcte spelling van de werkwoordsvormen getuigt niet alleen van kennis van (een beperkt aantal) regels en de juiste toepassing daarvan, maar ook van enig grammaticaal inzicht. Een deel van de fouten is kennelijk het gevolg van het blijven steken in de ‘verlengingsregel’ die doorgaans is aangeleerd op de basisschool in groep 4. Die regel wordt dan verkeerd toegepast: hij speeld, want als je het ‘langer maakt’, wordt het hij speelde. Die ‘regel’ was bedoeld als hulpmiddel voor de spelling van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden (brood, rood),  uiteraard niet voor werkwoorden. Wie er wat betreft de werkwoordsspelling van getuigt niet of nauwelijks iets te hebben opgestoken na groep 4 van de basisschool, maakt een wel erg weinig erudiete indruk!