spelling: historie

Pas in 1804 is de spelling van het Nederlands officieel vastgelegd. In de eeuwen daarvoor was er nogal wat variatie in spelling. Wel zetten de bijbelvertaling (Statenvertaling 1618) en bekende schrijvers en dichters (o.a. P.C. Hooft en Joost van den Vondel) steeds meer de toon.

In opdracht van de overheid publiceerde de Leidse hoogleraar Matthys Siegenbeek in 1804 de Verhandeling over de Nederduitsche Spelling ter bevordering van eenparigheid in dezelve. De uitspraak van het Hollands was het uitgangspunt. In deze spelling werd de ij geïntroduceerd: yzer werd ijzer. Er was geen verplichting om deze spelling te gebruiken en ook toen al was lang niet iedereen er gelukkig mee. O.a. de bekende dichter en geleerde Willem Bilderdijk verzette zich er heftig tegen.

Het verschil tussen spreektaal en schrijftaal was in de 18e en 19e eeuw erg groot. De schrijftaal was gebonden aan veel regels. Multatuli verzette zich daartegen door in zijn boeken de draak te steken met schrijftaal. Een bekende passage van hem: “Ik leg mij toe op het schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.”(Idee 41)

In 1863 ontwierpen Matthijs de Vries en L.A. te Winkel een nieuwe spelling ten behoeve van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Deze spelling werd in België in 1864 officieel ingevoerd en in Nederland pas in 1883.

Een bekend tegenstander van de gekunstelde schrijftaal was R.A. Kollewijn, die in 1891 het artikel Onze lastige spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging publiceerde.  Hij wilde meer de spreektaal en de uitspraak als uitgangspunt: niet fiets zeggen en rijwiel schrijven; niet mensch maar mens. Dit was het begin van een tientallen jaren durende actie voor vereenvoudiging van de spelling. Het heeft tot 1934 en 1947 geduurd voordat de meeste voorstellen van Kollewijn werden verwerkt in een nieuwe officiële spelling.

In 1934 voerde de minister van Onderwijs Marchant de meeste voorstellen van Kollewijn voor het onderwijs in Nederland in: de spelling-Marchant: voorbeelden:  zoo werd zo, mensch werd mens, heeten werd heten. Een deel van de naamvalsverbuigingen verdween ook.

In 1947 werd de ‘schoolspelling’ van Marchant grotendeels overgenomen in de wettelijk geregelde officiële spelling, nader uitgewerkt in de in 1954 verschenen eerste uitgave van de Woordenlijst Nederlandse Taal (Het Groene Boekje). October werd oktober, cassa werd kassa. Er kwam een ‘toegelaten spelling’ naast de ‘voorkeurspelling’ (die door overheid en het onderwijs gevolgd moest worden).

In 1981 werd de officiële regeling van de spelling van het Nederlands door de Nederlandse en Belgische overheid opgedragen aan de Nederlandse Taalunie, die daarvoor een commissie instelde van taalkundigen (veelal hoogleraren) uit Nederland en Vlaanderen.

In 1995 (invoering 1996) kwam er een spellingherziening waarbij de ‘toegelaten spelling’ werd afgeschaft. Dat was een logische zaak: de voorkeurspelling was immers alleen voor de overheid en het onderwijs verplicht en verder kon iedereen dus doen wat hij of zij wilde. Er kwam een verregaande herziening van de schrijfwijze van afkortingen (die vooral de reeds in de praktijk ontstane veranderingen vastlegde). Er kwamen onder andere nieuwe regels voor de tussen-n, die veel stof deden opwaaien: pannekoek werd pannenkoek, worstebrood werd worstenbrood. Er werd een tienjaarlijkse herziening van de Woordenlijst aangekondigd.

In 2005 (invoering 2006) bleek het niet alleen te gaan om een ‘update’ van de Woordenlijst, maar waren er opnieuw veranderingen, onder andere in het aaneenschrijven en het gebruik van het koppelteken. Er werd ook nog wat ‘gerepareerd’ aan de regels voor de tussen-n en in het gebruik van hoofdletters kwamen er subtiele veranderingen die nogal wat commentaar opleverden.

De vele kritiek op de wijzigingen van 1995 en 2005 heeft er wel toe geleid, dat de Nederlandse Taalunie, al vrij snel na de wijzigingen van 2005, heeft toegezegd dat er in 2015 niet weer veranderingen zouden komen (bij de tienjaarlijkse herziening van de Woordenlijst).

Voor de spelling van het Nederlands (en meer Europese talen) is het reeds bestaande Latijnse alfabet gebruikt. Dat schriftsysteem was en is niet passend voor het Nederlands: eigenlijk zou er voor elke spraakklank (35 in het Nederlands) een eigen teken moeten zijn. Het Latijnse alfabet heeft 23 tekens, waar pas in een later stadium ook nog de letters j, u en w aan toegevoegd zijn. Van de 26 beschikbare lettertekens zijn er vier niet effectief: de c (is k of s), de q, de x (is ks) en de y (is i of ie). Daardoor geeft één letter meerdere klanken weer (bijvoorbeeld de e) en worden er combinaties van letters gebruikt (tegenwoordig de ch, ie, eu, ng, oe, ou/au, ei/ij en ui). Dat is eigenlijk de oorzaak van een belangrijk deel van de spellingmalaise door de eeuwen heen.

Het klagen over ‘al die veranderingen’ wordt naar onze ervaring nogal eens als excuus gebruikt voor een slechte kennis van de regels. Bijvoorbeeld in de werkwoordsspelling – toch een berucht deel van de spelling – is eigenlijk geen enkele verandering gekomen, tenzij je de verdwijning van de ‘gebiedende wijs meervoud’ als verandering wilt beschouwen. We doelen hiermee op een leus als “Kiest PvdA!” in de jaren vijftig. Wel zijn in de afgelopen decennia werkwoorden uit het Engels ingeburgerd geraakt, waarvan de aangepaste of soms gedeeltelijk originele spelling vaak als lastig wordt ervaren. De Woordenlijst kan daarbij uitkomst bieden.

De Woordenlijst (Het Groene Boekje) is volledig te raadplegen op www.woordenlijst.org

Op grond van de Spellingwet zijn de overheid en het onderwijs verplicht om de in de Woordenlijst vastgelegde officiële spelling te gebruiken. Ook bij alle officiële examens is deze spelling verplicht. Wij hebben overigens moeten constateren dat de kennis van spellingwijzigingen bij het onderwijs vaak weinig prioriteit leek te hebben – en een sanctie ontbreekt. Ook ambtenaren blijken er niet altijd een boodschap aan te hebben – wat ook straffeloos kan. Het zegt onzes inziens bij beide sectoren wel iets over de organisatie en met name de leiding daarvan.

Er blijven mensen denken ‘modern’ te zijn of op te vallen met spelwijzen als kadowinkel en buro, maar dat is geen officiële spelling (en is ook nooit officiële spelling geweest). De officiële spelling is cadeauwinkel en bureau. Dat spelwijzen als kado en buro voor kinderen op de basisschool veel eenvoudiger zouden zijn, is een andere zaak. In het Duits zijn dergelijke veranderingen gedeeltelijk doorgevoerd (das Büro, maar wel das Niveau).

(RZ)