woordenschat van peuter

Oma tegen Sophie (2.10) die macaroni voorgeschoteld krijgt: “Kijk, vleesjes.”
Sophie: “Hamblokjes!”

Oma spreekt tegen Sophie (2.10) over haar panty’s als over ‘kousen’. Sophie: “Mamma heeft panty’s.”

Mede onder invloed van de televisie ontwikkelt de woordenschat van kinderen veel sneller dan 40 jaar geleden. Voor de omvang van de (gemiddelde) woordenschat bij een bepaalde leeftijd circuleren nog gegevens die tientallen jaren oud zijn – en daardoor inmiddels achterhaald.

Van jongs af aan in (zeer) eenvoudige taal spreken tegen kinderen is heel belangrijk (ook al zullen ze in het begin nog niets begrijpen en hoogstens reageren op de toon). Die gewenning aan taalgebruik is een belangrijke schakel in het proces van taalverwerving.

Praten over plaatjes in babyboekjes en voorlezen / vertellen is een volgende belangrijke stap.

Was er enkele tientallen jaren geleden volgens de literatuur een ‘explosieve ontwikkeling’ van de woordenschat rondom het derde levensjaar, tegenwoordig is dat veelal tussen het tweede en derde jaar. Er blijven uiteraard individuele verschillen.